"Ik richt straks een beleggings-BV op, want mijn koerswinst wordt binnenkort jaarlijks belast." Die gedachte leefde het afgelopen jaar bij veel particuliere beleggers. Begin september bleek uit gelekte Prinsjesdagstukken dat het kabinet die hervorming voorlopig in de wacht zet. Dat verandert de rekensom, maar niet op de manier die je zou verwachten: voor de meeste ondernemers met een holding wordt beleggen via de BV juist aantrekkelijker, niet minder.
De meeste lezers die deze vergelijking maken, hebben namelijk al een BV of holding met geld erin staan, doorgaans winst uit een werkmaatschappij die belastingvrij naar de holding is doorgestoten. Voor dat geld is de vraag niet "richt ik een BV op", maar "haal ik dit geld eruit om privé te beleggen, of laat ik het staan". En zodra je het eruit haalt, betaal je meteen box 2 over het volledige bedrag, nog vóór er één euro privé is belegd. Dit artikel legt uit hoe die vergelijking uitpakt onder het huidige, forfaitaire box 3-stelsel.
Bij dit artikel hoort een rekentool waarmee je privé beleggen en beleggen via een BV over verschillende looptijden kunt vergelijken.
Stand op 2 september 2026: uit gelekte Prinsjesdagstukken (bekend geworden op 1 september) blijkt dat het kabinet de omstreden Wet werkelijk rendement box 3 voorlopig parkeert, te midden van de begrotingsonderhandelingen voor 2027. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan; de Eerste Kamer hield de eindstemming op 30 juni al aan in afwachting van aanpassingen. Officiële bevestiging van de huidige koers volgt op Prinsjesdag, 15 september 2026. Tot die tijd, en zolang er geen nieuwe wet ingaat, blijft het huidige forfaitaire box 3-stelsel gelden. Dit artikel gaat daarom uit van dat bestaande stelsel.
Wat is er veranderd, en wat betekent dat voor jou?
Het voorgestelde nieuwe stelsel, de Wet werkelijk rendement box 3, zou vanaf 2028 jaarlijks zowel ontvangen inkomsten als de waardeverandering van beleggingen belasten, óók koerswinst die je nog niet had verzilverd. Dat vooruitzicht dreef veel beleggers naar de rekenmachine, en sommigen naar de notaris voor een beleggings-BV: een BV kan die jaarlijkse afrekening namelijk uitstellen tot het moment van verkoop.
Die druk is nu van de ketel, in elk geval voorlopig. Het wetsvoorstel is niet ingetrokken en de Tweede Kamer heeft het al aangenomen, maar het kabinet kiest er blijkens de gelekte stukken voor om de invoering niet door te zetten binnen het huidige begrotingsproces. Of dat straks uitstel tot een volgend kabinet betekent, een aangepast voorstel, of toch nog invoering, is op dit moment niet te zeggen.
Voor de vergelijking tussen beleggen in de BV en beleggen in privé betekent dit vooral iets voor de maatstaf waar de BV tegen concurreert: zolang het huidige stelsel geldt, betaalt een particuliere belegger geen belasting over de werkelijke koerswinst, maar over een verondersteld (forfaitair) rendement van 6,00%. Dat is een veel lagere jaarlijkse last dan de eerder voorgestelde 36% over werkelijk rendement. Toch verandert dat weinig aan de kernvraag voor de meeste ondernemers met een holding: het geld staat al in de BV, en het eruit halen kost nu meteen box 2, ongeacht welk stelsel er in box 3 geldt.
Ook ik ben aan het puzzelen. Ik bekijk deze vergelijking niet alleen als schrijver van 7K, maar ook voor mijn eigen vermogen. Het aangehouden wetsvoorstel verandert mijn eigen afweging niet fundamenteel: ik vind het nog steeds te vroeg om alleen op basis van een wetsvoorstel, aangenomen of niet, vermogen over te brengen naar een BV. Wat wel nuttig blijft, is precies begrijpen hoe de twee routes zich tot elkaar verhouden, ook onder het bestaande stelsel. Schijven en forfaits veranderen elk jaar, en een vermogensaanwasbelasting kan bij een volgend kabinet zomaar terugkomen.
Emigreren is geen vinkje in een belastingaangifte. Je fiscale woonplaats wordt bepaald door de feiten van je leven. Nederlands vastgoed kan na emigratie in Nederland belast blijven. Heb je een aanmerkelijk belang, dan kan emigratie bovendien leiden tot een conserverende aanslag in box 2. Een vertrekbesluit hoort daarom nooit alleen op een box 3-berekening te rusten, en al helemaal niet op een wetsvoorstel dat voorlopig in de wacht staat.
Hoe werkt het huidige (forfaitaire) box 3-stelsel?
Het bestaande box 3-stelsel belast geen werkelijk rendement, maar een verondersteld rendement over de samenstelling van je vermogen op 1 januari. De Belastingdienst rekent met drie categorieën, elk met een eigen forfaitair percentage. Voor 2026 zijn dat:
- Banktegoeden / spaargeld: 1,28% (voorlopig percentage, definitief begin 2027).
- Overige bezittingen, waaronder aandelen, ETF's en beleggingsfondsen vallen: 6,00% (definitief vastgesteld voor 2026).
- Schulden: 2,70% aftrekbaar (voorlopig percentage).
Van je totale vermogen mag je eerst een heffingsvrij vermogen aftrekken: €59.357 per persoon, oftewel €118.714 met een fiscaal partner. Over het veronderstelde rendement op wat daarboven uitkomt, betaal je 36% belasting.
Belasting per jaar (aandelen/ETF's) = 36% × 6,00% × (vermogen − heffingsvrij vermogen)
Voor een belegger zonder fiscaal partner komt dat effectief neer op ongeveer 2,16% van het vermogen boven de vrijstelling, ongeacht hoeveel je dat jaar daadwerkelijk verdiende of verloor.
Dat laatste is precies waarom dit stelsel meermaals door de Hoge Raad is afgekeurd: je kunt belasting betalen over een verondersteld rendement, ook in een jaar waarin je feitelijk verlies leed. Om dat te repareren geldt sinds 1 juli 2025 een tegenbewijsregeling.
De tegenbewijsregeling: het laagste van twee telt
Kun je aantonen dat je werkelijke rendement, dat net als bij het voorgestelde nieuwe stelsel ook niet-gerealiseerde waardeontwikkeling meetelt, lager was dan het forfaitaire rendement, dan mag je over dat lagere werkelijke bedrag belasting betalen in plaats van over het forfait. Voor een belegger die jaar in jaar uit een rendement boven de 6% behaalt, verandert dit niets: het forfait blijft dan de gunstigste (laagste) grondslag. Maar in een slecht beursjaar, of voor een voorzichtige portefeuille met een rendement onder de 6%, is de tegenbewijsregeling een reële bescherming.
Zo rekent de bijbehorende tool
De rekentool bij dit artikel vereenvoudigt de vergelijking, net als de scenario's hieronder. Hij gaat ervan uit dat het rendement volledig uit koerswinst bestaat: dividend, rente, tussentijdse verkopen en aftrekbare beleggingskosten worden niet apart meegenomen. Elk jaar wordt hetzelfde positieve rendement gebruikt; er wordt geen beurscrash, verliesverrekening of wisselend jaarverloop gesimuleerd. Waar het jaarlijkse rendement in een scenario onder de 6% ligt, is de tegenbewijsregeling toegepast: dan wordt het werkelijke (lagere) rendement belast in plaats van het forfait. De uitkomst laat zien wat er binnen een gekozen scenario gebeurt, en is geen voorspelling van je werkelijke vermogensgroei.
Waarom wint beleggen in de BV nu bijna altijd?
Een BV betaalt vennootschapsbelasting (VPB) over haar fiscale winst. Bij veel gewone effecten is fiscale waardering tegen historische kostprijs of lagere marktwaarde mogelijk. Zolang de koers boven de aankoopprijs staat en de belegging niet wordt verkocht, kan winstneming dan volledig worden uitgesteld, en dat verandert ook onder het huidige box 3-stelsel niet. Bij sommige fondsen en bijzondere structuren gelden uitzonderingen; dit moet vooraf worden gecontroleerd.
Voor geld dat al in de BV zit, telt echter nog iets zwaarders mee dan dat uitstel: er is geen erkend gestort kapitaal om belastingvrij terug te betalen. De winst uit een werkmaatschappij is namelijk belastingvrij naar de holding doorgestoten via de deelnemingsvrijstelling, maar dat maakt het nog geen persoonlijke, privé gestorte inleg. Wil je datzelfde geld toch privé beleggen, dan moet het eerst als dividend worden uitgekeerd, en betaal je meteen box 2 over het volledige bedrag, niet alleen over toekomstige winst. Die directe aanslag is meestal groter dan wat een paar jaar box 3-heffing op dat bedrag zou kosten, en dat is precies waarom laten staan in de BV nu voor de meeste bedragen en looptijden de voordeligste route is.
Laag 1: vennootschapsbelasting
In 2026 is het tarief 19% over de eerste €200.000 belastbare winst en 25,8% over het meerdere.
Laag 2: box 2
Wanneer winst naar privé gaat, geldt in 2026 24,5% tot €68.843 en 31% over het meerdere.
Over één euro winst bedraagt de gecombineerde heffing ongeveer 38,85% als zowel de lage VPB- als de lage box 2-schijf wordt benut, en kan oplopen tot circa 48,80% als de winst in de hoge schijven van beide belastingen valt. Dat is de prijs die je uiteindelijk betaalt zodra het geld naar privé gaat, of dat nu bij verkoop is of pas jaren later. Zolang je het niet uitkeert, betaal je dat percentage simpelweg nog niet.
De kern van de vergelijking: wie geld privé wil beleggen dat nu nog in een BV zit, betaalt die combinatie van VPB en box 2 niet later, maar meteen, over het hele bedrag, voordat er ook maar één euro onder box 3 rendeert. Onder het huidige box 3-stelsel, met zijn lage forfait van 6,00%, loopt privé beleggen dat verlies bijna nooit meer in. Uit onze scenario's blijkt dat de BV vanaf relatief bescheiden bedragen wint, doorgaans al tussen de €70.000 en €380.000 startvermogen, afhankelijk van looptijd en rendement.
De aannames achter onze scenario's
Om appels met appels te vergelijken, gebruiken de onderstaande berekeningen dezelfde eenvoudige uitgangspunten als de rekentool:
- het geld staat bij aanvang al in een BV of holding, bijvoorbeeld als winstreserve uit een werkmaatschappij, en kan daar blijven of naar privé worden uitgekeerd;
- het rendement bestaat volledig uit koersstijging; dividend, rente en tussentijdse verkopen zijn niet meegenomen;
- wordt het geld naar privé gehaald, dan wordt eerst het volledige bedrag belast in box 2, omdat er geen erkend gestort kapitaal tegenover staat, en wordt het restant vervolgens belegd onder het huidige forfaitaire box 3-stelsel (2026-cijfers), inclusief de tegenbewijsregeling wanneer het gekozen rendement onder het forfait van 6,00% ligt;
- de BV waardeert de portefeuille fiscaal tegen kostprijs of lagere marktwaarde en verkoopt aan het einde alles;
- de BV kost jaarlijks €1.000; omdat de holding al bestaat, worden geen nieuwe oprichtingskosten meegerekend;
- na verkoop wordt de volledige winst direct naar één aandeelhouder uitgekeerd;
- alle tarieven, vrijstellingen en schijfgrenzen blijven tijdens het scenario gelijk;
- er is geen ander box 2- of box 3-inkomen en er wordt geen arbeid voor de passieve beleggings-BV verricht.
Stort je juist vers, nog onbelast privévermogen als agio of kapitaal in de BV, dan gelden andere uitkomsten. Dat is de uitzondering die verderop in dit artikel apart wordt doorgerekend.
Een vast rendement van bijvoorbeeld 9% betekent niet dat 7K verwacht dat de beurs ieder jaar precies 9% stijgt. Het is een rekenlijn waarmee de invloed van tijd en belastingdruk zichtbaar wordt.
Scenario's: wanneer wint de BV en wanneer privé?
| Start | Looptijd | Rendement | Privé netto (na box 2 bij opname + huidig box 3) | BV netto, laten staan | Verschil BV |
|---|---|---|---|---|---|
| €100.000 | 20 jaar | 9% | €327.592 | €292.402 | − €35.190 |
| €250.000 | 20 jaar | 9% | €716.295 | €749.507 | + €33.212 |
| €500.000 | 10 jaar | 9% | €694.840 | €701.112 | + €6.272 |
| €500.000 | 20 jaar | 9% | €1.364.134 | €1.511.349 | + €147.215 |
| €500.000 | 30 jaar | 9% | €2.661.181 | €3.429.475 | + €768.294 |
| €500.000 | 20 jaar | 5% | €685.460 | €765.157 | + €79.697 |
| €500.000 | 20 jaar | 7% | €941.091 | €1.072.480 | + €131.389 |
| €500.000 | 35 jaar | 7% | €1.939.551 | €2.765.192 | + €825.642 |
| €500.000 | 40 jaar | 9% | €5.174.772 | €7.970.377 | + €2.795.605 |
Afgeronde indicatieve uitkomsten, één belastingplichtige, huidig (forfaitair) box 3-stelsel en 2026-tarieven constant gehouden. "Privé netto" betaalt eerst box 2 over het volledige startbedrag om het uit de BV te halen, en past daarna de tegenbewijsregeling toe waar het gekozen rendement onder het forfait van 6,00% ligt. "BV netto" is de opbrengst als het geld gewoon in de BV blijft beleggen en pas aan het einde van de looptijd wordt verkocht en uitgekeerd. Door afronding kan het verschil enkele euro's afwijken.
Alleen bij het kleinste bedrag in de tabel, €100.000 over twintig jaar, blijft privé beleggen voordeliger, met €35.190. Zodra het startbedrag oploopt tot €250.000 of meer, wint de BV in vrijwel elk scenario, vaak met een ruime marge, en bij lange looptijden zoals dertig tot veertig jaar loopt het verschil op tot boven de half miljoen euro. Dat komt niet doordat de BV zelf goedkoper is geworden: het komt doordat de directe box 2-heffing bij opname zo zwaar weegt, dat de jaarlijks veel lichtere box 3-heffing die daarna volgt, dat gat bijna nooit meer inhaalt.
Waar ligt het kantelpunt nu?
Onder het huidige stelsel is het kantelpunt vooral een bedrags-vraag geworden. Onderstaande tabel toont, per combinatie van looptijd en rendement, vanaf welk startvermogen de BV wint van meteen uitkeren en privé beleggen.
| Looptijd | Bij 5% | Bij 7% | Bij 9% |
|---|---|---|---|
| 10 jaar | circa €219.000 | circa €214.000 | circa €381.000 |
| 20 jaar | circa €169.000 | circa €157.000 | circa €177.000 |
| 25 jaar | circa €153.000 | circa €131.000 | circa €134.000 |
| 30 jaar | circa €137.000 | circa €111.000 | circa €106.000 |
| 35 jaar | circa €122.000 | circa €94.000 | circa €86.000 |
| 40 jaar | circa €110.000 | circa €82.000 | circa €71.000 |
Zelfde aannames als hierboven. Onder dit startvermogen wint privé beleggen, doordat het heffingvrije vermogen dan een relatief groot deel van het (kleinere) privésaldo afdekt. Erboven wint de BV, meestal al bij bescheiden bedragen.
Deze grens is geen rechte lijn. Het kantelpunt daalt niet overal netjes naarmate het rendement stijgt: bij tien jaar ligt de grens bij 9% rendement juist hoger, circa €381.000, dan bij 5% of 7% rendement, waar die rond de €214.000 tot €219.000 ligt. Dat komt doordat een hoger rendement het privévermogen sneller boven het heffingvrije vermogen tilt, wat privé bij een korte looptijd tijdelijk iets aantrekkelijker maakt, terwijl diezelfde hogere groei de BV bij langere looptijden juist harder laat winnen. Vertrouw daarom niet blind op interpolatie tussen deze cijfers; reken je eigen situatie door.
Wat betekent dit voor gespreid uitkeren?
Het spreiden van een dividenduitkering over meerdere jaren verlaagt de box 2-heffing op het uitkeermoment, doordat een groter deel in de lage schijf van 24,5% valt in plaats van in de hoge schijf van 31%. Dat effect bestaat nog steeds en kan de directe box 2-aanslag bij opname verzachten, maar het verandert het basisplaatje hier niet fundamenteel: ook gespreid uitgekeerd, blijft het volledige bedrag op enig moment belast, terwijl het in de BV nog altijd onbelast door kan blijven renderen. Wil je dit voor je eigen situatie precies doorrekenen, gebruik dan de rekentool met je eigen uitkeerstrategie.
De uitzondering: vers, nog onbelast vermogen
Alle bovenstaande cijfers gaan over geld dat al in een BV of holding zit. Heb je in plaats daarvan vers, nog onbelast privévermogen dat je overweegt in te leggen als agio of kapitaal, bijvoorbeeld spaargeld of een erfenis, dan verandert de vergelijking volledig. Storten van kapitaal is namelijk geen belastbaar moment, en dat kapitaal komt later, mits fiscaal en juridisch correct vastgelegd, belastingvrij terug. Alleen de winst daarboven wordt dan belast in box 2.
Reken je dezelfde negen scenario's door met deze aanname (het vinkje "agio- of kapitaalstorting" aan in de rekentool), dan draait het beeld helemaal om:
| Start | Looptijd | Rendement | Privé netto (huidig box 3) | BV netto na VPB en box 2 | Verschil BV |
|---|---|---|---|---|---|
| €100.000 | 20 jaar | 9% | €427.210 | €320.533 | − €106.677 |
| €250.000 | 20 jaar | 9% | €990.548 | €824.138 | − €166.410 |
| €500.000 | 10 jaar | 9% | €986.547 | €854.900 | − €131.647 |
| €500.000 | 20 jaar | 9% | €1.929.444 | €1.663.480 | − €265.964 |
| €500.000 | 30 jaar | 9% | €3.756.714 | €3.577.682 | − €179.032 |
| €500.000 | 20 jaar | 5% | €968.081 | €918.799 | − €49.282 |
| €500.000 | 20 jaar | 7% | €1.328.482 | €1.225.499 | − €102.983 |
| €500.000 | 35 jaar | 7% | €2.726.696 | €2.914.726 | + €188.031 |
| €500.000 | 40 jaar | 9% | €7.297.842 | €8.109.296 | + €811.454 |
Zelfde aannames als de hoofdtabel, behalve dat het startbedrag als vers gestort kapitaal in de BV gaat (met €1.000 eenmalige oprichtingskosten) en zonder eerdere box 2-heffing privé wordt belegd. Door afronding kan het verschil enkele euro's afwijken.
Voor vers vermogen wint privé beleggen dus in de meeste scenario's, precies zoals in de hoofdvergelijking van dit artikel voordat het geld eventueel naar een BV gaat. Pas bij een zeer lange horizon van vijfendertig jaar of meer wint de BV alsnog. Het verschil tussen deze twee tabellen is precies het punt van dit artikel: niet de BV zelf, maar de herkomst van het geld bepaalt welke vergelijking voor jou geldt. Ondernemingsrisico's, gewenste vermogensscheiding en de structuur van je vennootschappen tellen in beide gevallen mee. Geld uit een risicovolle werkmaatschappij laten beleggen is bovendien niet hetzelfde als beleggen vanuit een afzonderlijke holding of beleggings-BV.
Wanneer is het laten staan in de BV de logische keuze?
Laten staan verdient de voorkeur als:
- het geld al in de BV of holding zit, bijvoorbeeld als winstreserve, en je het niet op korte termijn privé nodig hebt;
- het startbedrag boven de circa €70.000 tot €380.000 ligt die in onze kantelpuntentabel als grens naar voren komt, afhankelijk van looptijd en rendement;
- je verwacht dat een groot deel van het rendement uit uitstelbare koerswinst bestaat, en niet uit dividend of rente dat toch al belast wordt;
- je administratie, jaarrekening en aangiften al op orde hebt, aangezien de BV toch al bestaat;
- je vooraf laat controleren hoe de gekozen ETF's of fondsen fiscaal gewaardeerd worden;
- je serieus rekening houdt met de mogelijkheid dat de vermogensaanwasbelasting later alsnog terugkeert, en het geld dan toch al in een BV zit.
Wanneer is het uitkeren en privé beleggen nog logisch?
- Een klein bedrag over een middellange horizon: in onze scenario's wint privé bij €100.000 en twintig jaar nog, maar bij €250.000 en dezelfde looptijd al niet meer.
- Je hebt het geld op korte termijn nodig: dan betaal je die box 2-heffing sowieso al snel, en levert wachten weinig extra op.
- Vers, nog onbelast privévermogen dat je als agio of kapitaal wilt inleggen: voor die situatie gelden de cijfers uit de uitzonderingstabel verderop, waarin privé in de meeste scenario's wél wint.
- Je wilt maximale eenvoud en vermogensscheiding: privé beleggen vraagt geen aparte administratie, VPB-aangifte of publicatie van een jaarrekening, en houdt het beleggingsvermogen los van ondernemingsrisico's.
- De portefeuille keert veel dividend of rente uit: die opbrengsten worden in de BV doorgaans al tijdens de looptijd belast; de eenvoudige calculator neemt dat niet apart mee.
De administratie is geen voetnoot
Een beleggings-BV is een echte rechtspersoon. Voor de meeste lezers van dit artikel bestaat die BV of holding al, en vervalt dus de eenmalige oprichting via de notaris. Wat wel doorloopt, zijn de lopende verplichtingen: administratie, een zakelijke bank- en beleggingsrekening, aangifte vennootschapsbelasting, een jaarrekening en deponering bij KVK. Voor zakelijke effectentransacties kan ook een LEI nodig zijn. Dividendbesluiten moeten juridisch en fiscaal correct worden uitgevoerd, zeker als er op enig moment toch geld naar privé gaat.
Onze €1.000 per jaar is een instelbare rekenaanname voor die lopende kosten. Wie alles zelf kan doen, kan lager uitkomen; wie accountant, fiscalist en uitgebreidere rapportage nodig heeft, kan aanzienlijk meer betalen. Richt je toch een nieuwe BV op, bijvoorbeeld voor een agio- of kapitaalstorting, vul dan zelf een realistisch bedrag in bij oprichtingskosten.
Let op de herkomst van het geld. Staat het startbedrag al in de BV, dan is er geen erkend gestort kapitaal en is een volledige uitkering naar privé belast in box 2. Alleen bij een agio- of kapitaalstorting van vers privévermogen komt de inleg later belastingvrij terug, en dan nog alleen via de vereiste formele route: een aandeelhoudersbesluit, een uitkeringstest en soms een notariële statutenwijziging. Laat de inrichting vooraf controleren.
Kan de hervorming alsnog terugkomen?
Het aanhouden van de Wet werkelijk rendement box 3 is geen definitief einde van het dossier. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel al aangenomen; het kabinet onderzoekt aanpassingen en kijkt ook naar alternatieven zoals een vermogenswinstbelasting. Box 3 blijft bovendien een terugkerend knelpunt sinds de Hoge Raad het huidige stelsel meermaals heeft afgekeurd, dus stilstand is geen garantie voor de lange termijn.
Dat betekent dat de cijfers in dit artikel, zoals de forfaitaire percentages, het heffingsvrije vermogen en de VPB- en box 2-tarieven, over tien, twintig of dertig jaar vrijwel zeker niet exact hetzelfde zijn als nu. Een BV oprichten kan om andere redenen dan alleen box 3 passend zijn, maar alleen de huidige, nog altijd bewegende regelgeving is een magere basis voor een kostbare structuur. Gebruik de rekentool om gevoeligheden te zien: verander niet alleen het vermogen, maar juist ook rendement, looptijd, kosten en uitkeerperiode.
Ons oordeel: kijk eerst naar de herkomst van het geld, dan pas naar het stelsel
Onder het bestaande, forfaitaire box 3-stelsel is het antwoord op "BV of privé?" vooral een vraag over waar het geld nu al staat. Staat het al in een BV of holding, dan wint laten staan en beleggen in vrijwel elk scenario boven de €250.000, vaak met een ruime marge, en dat komt niet doordat de BV zo aantrekkelijk is geworden, maar doordat het uitkeren zelf nu meteen een fikse box 2-aanslag kost.
Stort je daarentegen vers, nog onbelast privévermogen in een BV, dan geldt vrijwel het spiegelbeeld: privé beleggen wint dan in de meeste scenario's, en alleen bij een zeer lange horizon van vijfendertig jaar of meer haalt de BV het uitstelvoordeel alsnog terug. De vraag "vanaf welk vermogen moet ik een BV?" is daarom vervangen door een andere: staat dit geld al in een BV, of breng ik het er zelf, vers en na eerdere belasting, naartoe? En hoe lang kan en wil ik het daarna laten staan?
Veelgestelde vragen
Is de nieuwe box 3-wet nu definitief van de baan?
Nee. Het kabinet parkeert de invoering voorlopig, blijkens gelekte Prinsjesdagstukken van 1 september 2026; officiële bevestiging volgt op Prinsjesdag, 15 september. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel al aangenomen. Intrekking, verder uitstel of een aangepaste versie zijn allemaal nog mogelijk.
Betaal ik nu belasting over mijn werkelijke koerswinst?
Nee, niet standaard. Onder het huidige stelsel betaal je 36% over een forfaitair (verondersteld) rendement van 6,00% op je beleggingen boven het heffingsvrije vermogen. Alleen als je werkelijke rendement lager is, kun je via de tegenbewijsregeling voor dat lagere bedrag kiezen.
Waarom wint de BV nu al bij relatief lage bedragen, terwijl privé beleggen zo gunstig belast wordt?
Omdat de vergelijking in dit artikel uitgaat van geld dat al in de BV zit. Wil je dat geld privé beleggen, dan moet het eerst als dividend worden uitgekeerd, en betaal je meteen box 2 over het volledige bedrag, ongeacht hoe laag de jaarlijkse box 3-heffing daarna is. Die ene, directe aanslag is meestal groter dan wat een paar jaar lagere box 3-heffing zou besparen. Breng je in plaats daarvan vers, nog onbelast privévermogen naar een BV, dan geldt het omgekeerde: zie de aparte tabel in dit artikel over agio- en kapitaalstortingen.
Hoe weet ik of het "vinkje uit" (standaard) of "vinkje aan" (agio) op mijn situatie van toepassing is?
Staat het geld al op de balans van je BV of holding, bijvoorbeeld als winstreserve uit een werkmaatschappij, gebruik dan de standaardinstelling. Wil je juist privévermogen waarover je al belasting hebt betaald, bijvoorbeeld spaargeld, in een BV inleggen, zet dan het vinkje "agio- of kapitaalstorting" aan. Twijfel je, vraag dit dan na bij je accountant of fiscalist, want de fiscale herkomst van het geld bepaalt welke vergelijking geldt.
Moet ik nu geld uit mijn BV halen om privé te beleggen, of juist niet?
Niet op basis van dit artikel of de rekentool alleen. Boven de kantelpunten in dit artikel is laten staan doorgaans voordeliger, maar het forfaitaire stelsel kan zelf ook weer veranderen, en een BV brengt doorlopende verplichtingen en ondernemingsrisico's mee. Laat vóór uitvoering je persoonlijke positie, portefeuille en structuur beoordelen.
Bekijk je eigen kantelpunt
Vul je vermogen, looptijd, verwacht rendement en BV-kosten in. Vergelijk daarna niet alleen de eindbedragen, maar kijk ook naar de belasting bij verkoop en het effect van gespreid uitkeren.
Open de rekentoolDisclaimer: dit artikel en de rekentool geven algemene, indicatieve informatie en zijn geen persoonlijk fiscaal, juridisch of beleggingsadvies. De berekeningen gebruiken vereenvoudigde aannames en houden actuele tarieven gedurende de hele looptijd gelijk. Wetgeving en persoonlijke omstandigheden kunnen de uitkomst sterk veranderen. Bespreek een BV, kapitaalinbreng, waarderingsmethode, dividendstrategie of emigratie vooraf met een deskundige.
Bronnen en verder lezen
- Accountancy Vanmorgen over de gelekte Prinsjesdagstukken: kabinet zet box 3-hervorming voorlopig in de wacht
- Accountancy Vanmorgen: kabinet moet tegelijk sleutelen aan begroting en box 3
- Eerste Kamer: stand van zaken Wet werkelijk rendement box 3
- Rijksoverheid: box 3, rechtsherstel en de tegenbewijsregeling
- ANB: box 3-percentages, vrijstellingen en bedragen 2026
- Belastingdienst: tarieven vennootschapsbelasting
- Belastingdienst: box 2, uitleg en tarieven
- ABN AMRO Financial Focus: beleggen in de BV en fiscale waardering
- VEB: privé beleggen of via de BV
- Belastingdienst: conserverende aanslag bij emigratie
- KVK: oprichten en inschrijven van een BV
