Een lijfrente is een pensioenpotje dat je zelf opbouwt. Je legt geld in, krijgt daar nu belasting over terug en betaalt pas belasting als het later wordt uitgekeerd. Voor zzp’ers zonder pensioenregeling is het vaak de grootste fiscale meevaller die er is. Toch laten veel mensen het liggen, meestal omdat het ingewikkeld klinkt.
Dat valt mee. Het draait om twee vragen: hoeveel mag je inleggen, en levert het je meer op dan hetzelfde geld zelf beleggen?
Hoe een lijfrente werkt
Je stort geld op een speciale rekening of in een beleggingsproduct met een lijfrenteclausule. Die inleg trek je af van je inkomen in box 1. Zit je in de tweede schijf, dan krijg je ongeveer 44% terug. Dat is meer dan het tarief van 37,56%, omdat je door het lagere inkomen ook minder algemene heffingskorting kwijtraakt. In de hoogste schijf is het 49,5%.
Het geld staat vervolgens vast tot je met pensioen gaat. Zolang het daar staat, valt het buiten box 3. Je betaalt dus geen vermogensbelasting over je lijfrente, hoe groot hij ook wordt. Bij de uitkering betaal je gewone inkomstenbelasting. Na je AOW-leeftijd is dat tarief in de eerste schijf 17,85%, omdat je dan geen AOW-premie meer betaalt.
Daar zit het hele voordeel: je trekt nu af tegen een hoog tarief, en betaalt later tegen een lager tarief. Ondertussen groeit het bedrag zonder box 3.
Hoeveel mag je inleggen?
Je mag niet onbeperkt inleggen. De ruimte heet je jaarruimte, en die hangt af van je inkomen van vorig jaar en van het pensioen dat je via je werk al opbouwt. Wie geen pensioen opbouwt, zoals de meeste zzp’ers, heeft de meeste ruimte. Voor 2026 is de formule:
30% × (inkomen 2025 − €19.172) − correctie voor pensioenopbouw
Het inkomen telt mee tot €137.800, waardoor de jaarruimte in 2026 maximaal €35.589 is. Heb je een werkgeverspensioen, dan gaat daar een correctie af. Bij een pensioenregeling in het oude stelsel is dat 6,27 keer je factor A, die je vindt op je pensioenoverzicht.
Heb je de afgelopen jaren niets ingelegd, dan kun je dat deels inhalen. Ruimte die je in de tien jaar daarvoor hebt laten liggen, heet reserveringsruimte. Daarvan mag je in 2026 maximaal €42.753 gebruiken, bovenop je jaarruimte. Let wel op: de jaren tot en met 2022 leveren weinig op, omdat toen strengere regels golden.
Wat jouw ruimte precies is, reken je uit met de jaarruimte-calculator. Die rekent ook de reserveringsruimte per jaar door.
Wat het oplevert: een rekenvoorbeeld
Neem Sanne, zzp’er met een winst van €70.000 in 2025 en geen pensioenregeling. Haar jaarruimte voor 2026 is 30% van €50.828, dus €15.248. Ze besluit €6.000 in te leggen.
Doordat ze in de tweede schijf zit, krijgt ze ongeveer €2.637 terug. De inleg kost haar netto dus €3.363. We vergelijken twee routes over 25 jaar, met 6% rendement per jaar:
| Route | Na 25 jaar, netto |
|---|---|
| Lijfrente: €6.000 inleggen, uitkering belast tegen 25% gemiddeld | €19.313 |
| Zelf beleggen: €3.363 netto, binnen het heffingsvrij vermogen | €14.432 |
| Zelf beleggen: €3.363 netto, boven het heffingsvrij vermogen | €8.625 |
De lijfrente wint ruim, ook als Sanne geen box 3 betaalt. Heeft ze al vermogen boven het heffingsvrije bedrag, dan is het verschil meer dan het dubbele. In dat geval kost box 3 haar nu ongeveer 2,16% van de waarde per jaar (6% fictief rendement maal 36%), en dat stapelt zich over 25 jaar flink op.
Het voorbeeld gaat uit van 25% belasting bij de uitkering. Dat is realistisch voor wie naast de AOW een bescheiden pensioen heeft. Heb je later een hoog inkomen, dan wordt het voordeel kleiner, maar het verdwijnt zelden helemaal. Er is nog een bijeffect: je verzamelinkomen daalt door de aftrek, en daarmee stijgen toeslagen zoals zorgtoeslag soms mee.
Rekening, beleggingsrecht of verzekering
Er zijn drie soorten lijfrenteproducten. Voor de belasting maakt het niet uit welke je kiest, voor je rendement wel.
- Lijfrenterekening. Een spaarrekening bij een bank. Geen koersrisico, maar ook weinig groei. Vooral geschikt als je pensioen binnen een paar jaar begint.
- Lijfrentebeleggingsrecht. Je belegt de inleg, meestal in indexfondsen. Voor wie nog tien jaar of langer heeft, is dit de logische keuze. Let op de kosten: op een potje van €100.000 scheelt een half procent per jaar na 25 jaar bijna €50.000.
- Lijfrenteverzekering. Het oude product van verzekeraars. Doorgaans duurder en minder flexibel. Heb je er nog een lopen, kijk dan of overstappen loont.
Je kunt meerdere potjes naast elkaar hebben. Een tegoed overzetten naar een andere aanbieder of een ander soort product mag ook, zonder dat je daarover belasting betaalt.
Het geld zit vast: dit zijn de regels
Dit is de prijs voor het belastingvoordeel. Je kunt niet zomaar bij het geld.
De uitkering moet uiterlijk ingaan in het jaar waarin je vijf jaar ouder bent dan je AOW-leeftijd. Sinds 2026 geldt die grens voor alle lijfrenteproducten. Laat je die datum verlopen, dan ziet de Belastingdienst het hele tegoed als afgekocht. Begin je na je AOW-leeftijd, dan moet de uitkering minimaal vijf jaar lopen. Wil je eerder beginnen, dan moet je de uitkering over minimaal twintig jaar spreiden. Dat is minder interessant dan het klinkt, omdat je dan nog het hogere tarief van voor je AOW betaalt.
Tussentijds afkopen kan, maar het is duur. Je betaalt inkomstenbelasting over het hele bedrag en daarbovenop meestal 20% revisierente. Alleen een klein tegoed mag je in één keer laten uitbetalen.
Wanneer een lijfrente minder handig is
Het rekenvoorbeeld is gunstig, maar niet voor iedereen pakt het zo uit.
Heb je een laag inkomen en zit je in de eerste schijf, dan is het voordeel nu klein. Je trekt af tegen ongeveer 36% en betaalt later misschien niet veel minder. Dan is de vrijheid van zelf beleggen vaak meer waard.
Ook als je het geld binnen afzienbare tijd nodig hebt, bijvoorbeeld voor een huis of om je bedrijf uit te breiden, is een lijfrente een slechte plek. Hetzelfde geldt als je van plan bent ruim voor je AOW-leeftijd te stoppen met werken. Je kunt een lijfrente dan wel eerder laten ingaan, maar door de minimale looptijd van twintig jaar krijg je maar een klein bedrag per maand. Wie financieel onafhankelijk wil worden, heeft daarom meestal beide nodig: een lijfrente voor na de AOW en vrij vermogen voor de jaren daarvoor. De FIRE-calculator helpt om die verdeling te maken.
Lijfrente en de nieuwe box 3
Vanaf 2028 wil het kabinet in box 3 het werkelijke rendement belasten in plaats van een fictief rendement. Bij aandelen en ETF’s zou de waardestijging volgens de laatste plannen pas bij verkoop worden belast. Dat maakt zelf beleggen in box 3 iets aantrekkelijker dan nu. De lijfrente blijft buiten box 3, en de aftrek tegen een hoog tarief verandert niet. Het voordeel van de lijfrente wordt dus kleiner, maar blijft voor de meeste zzp’ers overeind. Meer over de plannen lees je in ons artikel over de nieuwe box 3.
Zo pak je het aan voor 31 december
- Reken je jaarruimte en reserveringsruimte uit met de calculator, of met het hulpmiddel lijfrentepremie van de Belastingdienst.
- Kies een aanbieder met lage kosten en, bij een lange horizon, een beleggingsrecht.
- Stort vóór de deadline van je aanbieder en bewaar het jaaroverzicht. Je trekt de inleg af in je aangifte over 2026.
Reken je eigen situatie door
Vul je inkomen, je pensioenopbouw en je plannen in en zie of een lijfrente jou netto meer oplevert dan zelf beleggen.
Naar de jaarruimte-calculatorBedragen en tarieven gelden voor 2026. Twijfel je over een groot bedrag of een bijzondere pensioenregeling, laat het dan even doorrekenen door een adviseur.
- Belastingdienst, jaarruimte en reserveringsruimte 2026 en hulpmiddel lijfrentepremie.
- SRA, aanpassingen lijfrenteregels vanaf 2026.
- Belastingplan 2026, tarieven box 1 en heffingskortingen.






